EERSTE PERIODE: 
JEUGD EN OPLEIDING (van 1870 tot 1895)


“Alles wat ik heb geschilderd komt uit de erfenis, 
die ik in mijn bloed kreeg. 
Brussel, daar ben ik geboren, dat was maar een intermezzo.”
 
Marten Melsen, 1942

 

Om beter te begrijpen waarom Marten Melsen, hoofdstedeling, naar het platteland verhuist om er zijn hele leven te wijden aan het schilderen van de landman, dient men de afkomst en opvoeding van de jonge kunstenaar beter te kennen. De familie Melsen, afkomstig uit de Lage Landen(10), is onlosmakelijk verbonden met de Scheldepolders, waar we reeds in de 17de eeuw, vlakbij Beveren, een dorp Melsen en een Polder van Melsen aantreffen. In de 17de eeuw vinden we families Melsen te Kalmthout, die er schepenfuncties bekleden en in de 18de eeuw verhuizen naar Noord-Brabant. Martens grootvader Martinus Melsen (1808-1883) is, net als verscheidene voorouders voor hem, lang burgemeester geweest te Ossendrecht. Vele afstammelingen worden vleeshandelaar in klein- en groothandel, sommige zelfs in de import en export. 

Marten Melsen wordt geboren te Brussel met de Nederlandse nationaliteit, tijdens de woelige tijden van de Frans-Duitse oorlog van 1870, gevolgd door een periode van economische bloei. Hij is de oudste zoon van Adriaan Melsen (1841-1913), Nederlander, en Julie Cleiren (1841-1877), van Belgische nationaliteit. Beide ouders waren afkomstig uit grote (volgens sommige auteurs belangrijke) landbouwersgeslachten uit de Belgisch-Nederlandse grensstreek. Beide ouders kwamen uit kroostrijke gezinnen met twaalf kinderen, wat maakt dat de kleine Marten tientallen neven en nichten had, zowel in de Belgische polder als in Nederland als in Brussel, waar verscheidene van zijn ooms en tantes naartoe emigreerden in de jaren 1860-1870.

 
“Vader Adriaan Melsen was als jongman naar Brussel gaan wonen, waar hij mede het hamelvlees (hamelenbout, hamelcotelette) invoerde - het eten van schapenvlees schijnt toen pas te Brussel in’t gebruik gekomen te zijn. Hij richtte er een slagerij op, in een door-en-door Brussels kwartier: de Kolenmarkt, bezuiden de Grote Markt. Daar, in die kernig-Brabantse straat, waar ook thans nog het sappige Brussels-Vlaams wordt gesproken, is op 11 juli 1870 Marten Melsen, als oudste van een gezin met drie jongens, geboren. 
De slagerszaak floreerde, en de vijf ooms langs moederszijde Cleiren, die er zich reeds gevestigd hadden, wisten er het monopolie te verkrijgen van de invoer der Edammer en Gouda kaasproductie, en aldus ‘schatrijk’ te worden.”
11

Toen Marten zeven jaar oud was, verliest hij echter zijn moeder, wat een diepe wonde moet hebben geslagen in het jonge leven van zowel Marten als zijn broer Louis. Veel later, op 70-jarige leeftijd, zal Marten haar op basis van een foto portretteren (ill.). 

De kiem voor Martens interesse voor kunst ligt, volgens Mane de Bom, mogelijk in het feit dat hij vlakbij een van de mooiste kerken van Brussel woont, de Onze-Lieve-Vrouw van Goede Bijstand op de Kolenmarkt, waar hij en zijn broers werden gedoopt en hun communie deden. Deze kleine barokkerk ligt knus tussen de huisjes, en is gevuld met prachtige 17de-eeuwse kunstwerken, schilderijen en beeldhouwwerken. 

Kort na het overlijden van Martens moeder hertrouwt zijn vader met de dochter van zijn schoonbroer. Martens stiefmoeder, Cecile Cleiren, die dus dezelfde achternaam draagt als Martens natuurlijke moeder, zal hem nog een halfbroer schenken, Mathieu Alphonse (1880-1920). Een jaar later, in 1878, verhuist de familie naar de IJzerenkruisstraat waar ze een tweede zaak openen, enkele huizen voorbij de zaak van een van de ooms die kaas importeerde. 

Dit is de elegante wijk van het Koninklijk Paleis en het Parlement, het Koninklijk Park met de Kunst- en Letterkundige Kring (Waux-Hall) waar tentoonstellingen werden georganiseerd van bijna elke kunstenaar die naam had in de hoofdstad. Vlakbij Martens mooie straat met prachtige burgerhuizen huist sinds kort ook de Cirque Royal, met een aanbod van duizenden plaatsen en die 110 paarden kon huisvesten. ‘Men beweert dat koning Leopold II vleiende complimenten stuurde aan het adres van het nieuwe circus, misschien wel het enige in Europa’(12). In 1880 opende Leopold II tevens, onder veel belangstelling, een nieuwe schouwburg in de IJzerenkruisstraat: het Edentheater, met 1500 plaatsen. In dit prachtige belle époque theater, ook Folies Bergère de Bruxelles genoemd, werden ook volksbals gehouden. Een voltreffer was het bezoek in 1888 van de voltallige Parijse dans- en toneelgroep van de Moulin Rouge, waaronder de bekende danseres La Goulue, vereeuwigd door Henri de Toulouse-Lautrec. Lautrec was trouwens bij dit Brussels bezoek aanwezig(13), en het is niet uitgesloten dat Melsen, als beginnend academiestudent, dit uitzonderlijke evenement, in zijn eigen straat, heeft bijgewoond.

 

Hij woont in het bruisende hart van alles wat Brussel te bieden heeft op het gebied van de muziek en de kunst. In 1887 wordt, ook al in zijn eigen straat, het eerste salon van de kunstkring Cercle Voorwaarts gehouden, waar kunstenaars als Franz Meerts en Jan Stobbaerts aan deelnemen. 

Ook de tweede zaak van zijn ouders floreert. Ondertussen tekent hij maar verder. Uit zijn jonge schooltijd zijn een hele serie aquarelletjes bewaard gebleven, die de kunstenaar later heeft gedateerd; een aanduiding dat hij de gewichtigheid van zijn eigen jeugdwerk inzag? 
Rond 1885 zal het parlementsgebouw in de zijstraat afbranden. De brand duurde drie dagen en drie nachten, in de winterse sneeuw, en liet een diepe indruk na op de 15-jarige schooljongen. De staatsarchieven werden tijdelijk opgeborgen in de appartementen boven de zaak, die verhuurd waren aan de getroffen ministeries. 


Melsens biografen, de kunsthistoricus Dr. Herman Baccaert en de schrijver-journalist Emmanuel de Bom, lid van de Koninklijke Vlaamse Academie, hebben over Martens prille jaren het volgende verteld: 

“k’ Weet alleen dat hij, van jongsaf aan, flink uit de ogen keek en graag tekende. Hij bezocht de middelbare school van meester Stobbaerts, te Brussel. Meester Stobbaerts, die ook tekenles gaf, was de knaap bijzonder goed gezind, omdat hij zo vlug en vaardig met pen en potlood wist om te gaan.”14 
“In de Lombaardstraat lag de private Ecole Moyenne, waar bij voorkeur de burgerskinderen - en onder hen de jeugdige Marten - werden heengestuurd. Die Stobbaertsen waren neven van de grote Vlaamse schilder Jan Stobbaerts. (…) De school tekent heel een tijdperk. Er werd gedurende één uur per week les gegeven in’t Vlaams, door een Waals leraar die ze ‘Pee Robette’ noemden. Marten kon hem goed helpen.”
15 

Martens meertaligheid zal hem echter niet altijd van pas komen(16).

“Zijn vrije uren bracht de jonge Melsen in de musea door, en in de zomervakantie mocht hij naar buiten, naar Ossendrecht, Stabroek of Berendrecht, tegen de Hollandse grens. ’t Gaf hem telkens een gevoel van verlossing de stad te verlaten, waar al wat oud en eerbiedwaardig is, al wat tot het gevoel spreekt, meedogenloos wordt neergehaald om plaats te ruimen voor nieuw-modische handels- en burgerswijken; waar van ’s ochtends tot ’s avonds gejaag en gehos is van paarden, karren en koetsen; drommen mensen voortjagen, met bekommerd of huichelend gezicht en lelijke kleren; waar de huizen hoog en stroef, de straten recht en chaotisch, de lieden preuts en aanstellerig, de natuur verminkt en verdord is.”17

“Qu’est-ce qu’on bouffe donc? klonk daar vaak uit de mond van de binnentredende jongere.’Die eetlust’ zegt nu Marten Melsen, ‘was in die tijd in Brussel algemeen ‘in de mode’. Men deed er overdaad in eten en drinken. Ik wilde een ander leven, en trok naar buiten.”18 

“De kalme, grootse zomerweelde te lande trok hem hoe lang zo sterker aan, en telkens hem de schooltijd naar Brussel terugdwong, gevoelde hij zich meer dan ooit beklemd in de rumoerige hoofdstad.”
19 

“Zo hield de jonge Brusselaar contact met de wortelen van zijn geslacht. ‘Ik voel al meer en meer dat het mijn voorouders in me zijn die mij de weg wijzen. Brussel, dat was maar een intermezzo. Daar heb ik ‘afstand genomen’. Eerst nà Brussel heb ik kunnen zien wat in mij leefde sinds geslachten. Als ik bij mijn grootouders in Ossendrecht of bij de oom
(20) te Woensdrecht mijn vakantie doorbracht, voelde ik me heimelijk getrokken tot al die dingen, niets was me daar vreemd, het leefde in mijn bloed: mijn voorouders keken door mij.”21

In de jaren 1880, op de middelbare school, helpt Marten gedurende enige tijd ook thuis in een van de familiezaken: 

“Nu ziet ge dagelijks, met hagelblanke vest en schort, bij de kapblok, de 16-jarige Marten staan, die de bijl zwaait, en vilt en tornt en kwartiert, met grote bedrevenheid aldra, ofschoon wellicht met enige tegenzin.”22 

“De techniek van het vak is hem niet vreemd gebleven. Wat niet belet, dat hij nu méér voelt voor een bezadigd vegetarisch maal.”23


Zijn ouders hopen dat hij naar de medische faculteit zal gaan, doch de jonge Marten houdt meer van tekenen. 

“Van wanneer is hij aan ’t tekenen gegaan? Sedert altijd. Dat had hij reeds te pakken bij zijn vakanties te Hildernisse toen hij naar de schorren meeliep om er de koeien te hoeden.”24 

Daar kreeg Marten de kans voor als jongen bij zijn verwanten, o.a. op de mooie hoeve Hildernisse, de enige buitendijkse hoeve in Nederland en een veelbezocht monument (vandaag op de monumentenlijst) dat deel uitmaakt van het markizaat Bergen-op-Zoom, een uniek stuk prachtige natuur aan de Oosterschelde(25). Marten heeft die monumentale hoeves van zijn familieleden trouwens meer dan eens geschilderd of getekend(26)

“Ik voelde me daar zo innig thuis. Het was er zo breed en zo rustig. Ik had er willen blijven’. En hij tekende de figuren uit, de bomen en de koeien. Ze kwamen er achter zijn rug naar kijken. En gezapig, onverstoord, deed hij voort. De oude polderaar leefde nog diep in hem. Hij moest dokter worden, vonden ze thuis, op aanraden van de meester. Maar Marten had geen andere drang dan tekenen. Hij wou naar de academie, hij wou schilder worden. ‘Al kunt ge met schilderen niets verdienen…’ waarschuwden ze thuis…”27

Dankzij zijn Nederlandse nationaliteit hoeft hij geen militaire dienst te doen(28). De academie is niet ver, zodat hij er te voet naartoe kan.

”Na volbrachte taak mag hij echter de avondlessen ter Brusselse academie volgen. Hij heeft al veel op eigen houtje gewerkt en vordert zo flink, dat hij thuis oorlof krijgt om ook de dagleergangen te gaan bijwonen.”29 

Terwijl deze periode een zeer interessante artistieke evolutie kent, zit Melsen gedurende zeven jaren aan dit kunstinstituut, waar enkele jaren voor hem nog Vincent van Gogh en James Ensor hadden gestudeerd, en waar talrijke, bijzonder creatieve kunstenaars werden gevormd. 

“Ter Academie leidde Stallaert de klas van schildering der figuur met decoratieve bestemming. Reeds daar, spijts al het duffe onderwijs, kwam Melsens eigen aard om de hoek gluren. Er diende een decoratieve samenstelling gemaakt met onderwerp: Cortège nuptial. Melsen interpreteert het gegeven op tweeërlei wijze: 1. Echt-academisch, een paneel met fijn-uitgestreken verven, stoet van statig schrijdende personages, en er waait u een weepse geur toe van afgekookte recepten. 2. Het ander, een toneel dat hij te zien kreeg op zijn kuiertochtjes in de nog gaaf gebleven oude Marollenwijk, ‘ne cortège de mariés uit d’Huegstraat’, al wallebakken bijeen, mannen en wijven uit de volksklas, voorop een harmonicanist met een houten been. Ze zijn al dronken van faro, jenevel en geuzelambik; ze hebben al veel kavitjes aangedaan; de trouwers stappen komisch-deftig naar de zoveelsten marchand de liqueurs toe, maar het gevolg is dol-uitgelaten; de vrouwen slaan een flikker, dat haar rokken zoevend zwaaien en de mans zingen luidkeels van ‘ ‘s Oeves in da strrreutje!’ ”
Maar buiten die opflakkeringen van levenslust en lollige visie, is Melsen een buigzaam, ijverig leerling, vol besef van wat zijn taak ter academie wezen moet: zich voegen naar eeuwige beginselen, naar stalen regels en wetten; zijn bralle jeugd breidelen tot tucht en gedweeheid.”
30 

Zijn opleiding blijkt dus bij uitstek conservatief te zijn en zijn professoren behoren nagenoeg allen tot de neoclassicisten. 
Melsen is een begaafd student en een hard werker. 

“Zijn makkers heten hem de Stallaertist. Hij behaalt in 1893-94 de eerste prijs met een fraaie, decoratieve figuur: Lente, een knaap die een prille kastanjetak draagt. Wat later dingt hij nog naar de Prijs van Rome(31), en daarmee is ’t afgelopen. Adieu nu, marmerkoele kunst van deftig classicisme, van conservatief academisme, van tamheid in gebaar en lijn, kleur en reliëf. Melsen schudt het stof van zijn zolen en gaat bij de boeren wonen. Dankbaar zal hij echter de goede Stallaert gedenken, die hem steeds met wijze raad en praktische ervaring terzijde stond, en nooit loopbaan had belemmerd, waar iemand een andere weg dan de zijne scheen te willen uitgaan.”32

2.  DE VERVOLMAKING

 

NOTEN

10 Er is ook een Deense tak Melsen. De Belgische tak is zeer beperkt in vergelijking met de Nederlandse.
11 De Bom 1942, o.c., p. 10.
12 Dubreucq Jacques, Bruxelles 1000, une histoire capitale., Volume 6, Impr. Weissenbruch, Bruxelles, 1999, pp. 350-360.
13 Dubreucq J., o.c. 
14 Baccaert, 1915, o.c.
15 De Bom, 1942, o.c., pp. 10-12.
16 Na de oorlog wordt hem verweten collaborateur te zijn geweest, doch zonder formele vervolging.
17 Baccaert, 1915, o.c.
18 De Bom, 1942, o.c., pp. 10-12.
19 Baccaert, 1915, o.c.
20 Een rijke oom-landbouwer, die veel op jacht ging.
21 De Bom, 1942, o.c., pp. 10-12.
22 Baccaert, 1915, o.c.
23 De Bom, 1942, o.c.
24 De Bom, 1942, o.c.
25 Michielsen Piet, De Kraayenberg: belangrijk voor de Bergse historie, verschenen rond 1995, en ook: De Bruijn G. en van den Hoven F., Op ontdekkingstocht door West-Brabant: Baronie en Markiezaat, Uitg. Filatop, Leerdam, 2001, p. 127.
26 Eén versie in inkt bevindt zich in een brief van Melsen aan De Bom, 1942, bewaard in het AMVC-Letterenhuis, dossier Melsen. 
27 De Bom, 1942, o.c.
28 Zie brief van de burgemeester van Brussel dat hem ontslaat van militaire dienst, verz. Stichting Marten Melsen.
29 Baccaert, 1915, o.c.
30 Baccaert, 1915, o.c., p. 163.
31 Wij hebben nooit Marten Melsens naam op de officiële inschrijvingslijsten van de Prijs van Rome gevonden.
32 Baccaert, 1915, o.c., p. 163.