Marten Melsen

Kunstschilder

Marten Melsens oeuvre werd sinds het prille begin - zijn eerste tentoonstellingen dateren uit de jaren 1890 - gewaardeerd om de oorspronkelijkheid. “Tolk van de landelijke uitspattingen van de streek welke rond Antwerpen om het boerse en brooddronkene van haar bewoners befaamd is”(1), wordt hij door critici “onze jolige moderne Bruegel, tintelend van werkelijk leven en kleur”(2) genoemd, of “olijk schilder der boeren uit het polderland”(3). Anderen noemen hem: “De humoristische waarnemer van de landmens”(4), of stelden: “Melsen blinkt uit in de levendige weergave van boerenpummels”(5), of zagen “veel bewuste naïviteit bij Marten Melsen”(6). Zij zien Melsens werk als “een epische en symbolische karikatuur van het dorp.“(7) 

De grootstad Brussel was aan het einde van de 19de eeuw een wereldcentrum van kunst, waar neo-impressionisme en art nouveau hoogtij vieren en verder de weg bereiden naar alternatieve kunstvormen waaronder, vanaf ca. 1905, het fauvisme, vanaf ca. 1907 het kubisme, en later het constructivisme, expressionisme en surrealisme. Te midden van de grote geestesomwenteling omstreeks 1900, waarbij technische en medische uitvindingen elkaar opvolgen, en tegelijkertijd fundamentele filosofische en artistieke veranderingen teweegbrengen, volgt Melsen in zijn eentje een totaal andere weg, die van de Hollandse en Vlaamse meesters uit de 16de en 17de eeuw, die de rasechte volksaard had blootgelegd. Deze verknochtheid aan de oude schilderstraditie is opmerkelijk, omdat de toenmalige kunst ofwel gekenmerkt werd door sociale geladenheid (Charles de Groux, Eugeen Laermans, Constantin Meunier), ofwel door de zoektocht naar een verheerlijkte, ideale wereld, zoals bij het preraphaëlitische symbolisme (Fernand Khnopff, Emile Fabry, Jean Delville). In tegenstelling tot deze rationele of dichterlijke belangstelling voor de sociale werkelijkheid, stelt Melsen zijn boeren integendeel voor.. 

“(…) met onbevangen zin: hun uitzicht en omgeving amuseerden hem heel eenvoudig; zij vestigden zijn kennersblik en boden zijn schildersgaven een graagbenuttigde gelegenheid om zich in gulzig uit de tubes geduimde materie bot te vieren.”8

 

DE VERSCHILLENDE PERIODES VAN DE KUNSTENAAR

Een indeling maken in periodes is steeds riskante aangelegenheid, maar ze kan wel een hulpmiddel zijn om een oeuvre beter te begrijpen(9). Ik onderscheid de volgende periodes:
1. 1870-1895: De opleiding: de periode van de studies. 
2. 1895-1902: De vervolmaking: Melsen wordt professioneel kunstenaar, weliswaar nog ‘onder het academische juk’ en gekenmerkt door een - soms overdreven - karikatuur. 
3. 1902-1910: De maturiteit: deze derde periode is de meest karakteristieke en persoonlijke periode van volwaardige, zuivere kunst, die ook technisch een hoogtepunt bereikt. 
4. Ca._1910-ca._1933: Het luminisme: organische veranderingen zetten Melsen aan tot een meer luministische en intimistische aanpak. 
5. Ca._1933-1947: Melancholie: de 60 jaar voorbij, vindt hij weer inspiratie in zijn vroegste werk.

 

JEUGD EN OPLEIDING

DE VERVOLMAKING

DE MATURITEIT LUMINISME MELANCHOLIE
>>   KORTE INHOUD   <<

 

NOTEN

1 Eekhoud Georges, ‘Kunstberichten uit Brussel. Labeur.’ in: Onze Kunst, november 1902, p. 150.
2 Du Câtillon Leonce, ‘Tentoonstelling Brussel. Labeur.’ in: Vlaamsche Gazet van Brussel, 5 oktober 1902.
3 De Bom Emmanuel, Marten Melsen. Oolijk schilder der boeren uit het polderland, Uitg. Henri Melsen, Brussel 1942.
4 Pierron Sander, ‘Chronique Bruxelloise. L’exposition du cercle d’art Labeur.’ in: La Métropole, 14 oktober 1901, p. 1.
5 Maus Octave, ‘Labeur, Cinquième Exposition annuelle.’ in: L’Art Moderne, 12 oktober 1902.
6 Georges Eugène, ‘Le Salon de Gand.’ in: La Libre Critique, 12e jaargang, 4e serie, nr. 42, 26 oktober 1902, p. 37.
7 Joly Auguste, ‘Le Labeur.’ in: La Libre Critique, p. 252, 4 november 1900.
8 Baccaert Herman, ‘Marten Melsen, schilder.’ in: Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, 1915, Jaargang XXV, juli-december 1915, pp. 160-176.
9 Prof. Mark Tralbaut introduceerde het idee om Melsens oeuvre in drie periodes in te delen: na een eerste, donkere, periode zou Melsen na WO I een lichte periode hebben gekend, om op hogere leeftijd terug te grijpen naar zijn eerste periode. Ook Dr. Schoonbaert houdt deze indeling aan (Schoonbaert L., ‘Marten Melsen.’, in: Marten Melsen. Tentoonstellingscatalogus, Campo & Campo, 1997). Alhoewel deze indeling fundamenteel klopt, stel ik voor de eerste periode toch verder op te splitsen: zelfs in de donkere periode is er een meer dan oppervlakkige en interessante evolutie waar te nemen, al kan men betwisten of de feitelijke academische opleiding als een aparte periode te onderscheiden is. Om praktische redenen houd ik me aan de indeling zoals voorgesteld in 1996 in: Melsen J., ‘Marten Melsen, de artistieke evolutie.’ in: Marten Melsen, tentoonstellingscatalogus, Stabroek, 1997.